Zeven in één Klap

Nederlandse en Vlaamse Volksmuziek

Thuis Over ons Instrumenten Liedteksten Bronnen/downloads Foto's Gastenboek Links

 

Liedteksten uit de programma's van

Zeven in één Klap

 

Op deze pagina treft u liedteksten aan uit de programma's van Zeven in één Klap.

Ook is het mogelijk deze als Word document te downloaden.

 


 

 

 

 

Dokter Grijzenbaard


Opgetekend in Retie, België door Harrie Franken

Uit Liederen en dansen uit de Kempen, hoofdstuk Klucht en Spotliedren

 

Ik ben den Dokter Grijzenbaard

Wieze wieze wies bom bom

‘k Genees de zieken alleeraard

Wieze wieze wies bom bom

Ik kan maken dat de lamme gaat

En dat de dove mij verstaat

Lerum, larum, lepelsteel

Wieze wieze wies bom bom

Victoria victoria wieze wieze wies bom bom

Victoria victoria wieze wieze wies bom bom

 

Te Brussel had ik een Kalant

Wieze wieze wies bom bom

Die klaagde van een holle tand

Wieze wieze wies bom bom

Ik schoot hem uit met mijn geweer

Nu klaagt hij van geen kiespijn meer

Lerum larum enz.

 

De luitenant doedeldom

Wieze wieze wies bom bom

Gaf ik een heel pond opium

Wieze wieze wies bom bom

Hij is er van in slaap geraakt

En tot nu toe nog niet ontwaakt

Lerum larum enz.

 

De jonge heer van adelhorst

Wieze wieze wies bom bom

Nam ik drie bommen uit zijn borst

Wieze wieze wies bom bom

Hij stierf er van op korte tijd

Maar ook was hij zijn tepels kwijt

Lerum larum enz.

 

Ik geef zelfs brillen voor 't gehoor

Wieze wieze wies bom bom

Echt glas ik sta er zeker voor

Wieze wieze wies bom bom

Dat mijne kunst effekten doet

Dat zweer ik bij mijn doktershoed

Lerum larum enz.

naar boven

 

Ain Boer Wol Noar Zien Noaber Tou

Opgetekend te Godlinze, Groningen door Jaap Kunst.

Uit Het Levende Lied van Nederland, hoofdstuk VIII-Boertige Liederen en Spotliederen

                  

 

 

Ain boer wol noar zien noaber tou,

Hai, boer, hai,

Zien wief dat wol met hom goan,

Dom, dom, dom, dai.

 

Nee wief, doe most toeze bliev’n,

Hai, boer, hai,

Most spinn’n en naai’n, van

Dom, dom, dom, dai.

 

Dou boer weer in hoeze kwam,

Hai, boer, hai,

Zee,e: “Wief wat hestoe wel doan?”,

Dom, dom, dom, dai.

 

Maar ’t  wief kreeg tou bèrestok,

Hai, boer, hai,

En sloug hom dou op zien kop,

Dom, dom, dom, dai.

 

En boer gong noar zien noaber kloag’n,

Hai, boer, hai,

“Mien wief het mie op kop sloag’n”

Dom, dom, dom, dai.

 

En noaber zee: “Net ziezo”

Hai, boer, hai,

“mien wief dei dut krek ziezo!”,

Dom, dom, dom, dai.

naar boven

 

 

 


 

 

naar boven

 

 


naar boven

 

 

 

Vaarwel bruidje schoon (1654)


Vaarwel bruidje schoon, de vreugd' van mijn leven,
wiens deugden staan op uw wangen geschreven.
Wij moeten gaan zeilen, ons scheepje ligt ree,
Vaarwel lieve zusje, wij gaan naar de zee.

Daar gaat nu mijn Kloris, vol moed met zijn vrienden,
De zeilen staan klaar, laat het anker opwinden.
Waai op oostenwindje, maar toch niet zo fel,
Hij zwaait met zijn hoedje, voor het laatst nog vaarwel.

 Nu leeft zij verdrietig, bij nachten en dagen,
ziet zij een zeeman, zo hoort men haar vragen:
Zeg vriendje, wat dunkt je, komt mij Kloris haast weer.
En zegt hij dan neen, dan vraagt zij niet weer.

 Daar gaat hij nu heen, God moogt' hem bewaren,
Door stormen en klip, op de bruisende baren.
Kon ik hem geleiden, ik deed het gewis,
Maar ik moet mij nu troosten, terwijl ik hem mis.

 Nu leeft zij verdrietig, door het lang achterblijven,
Totdat er een boodschap haar smart komt verdrijven,
Kom wijfje, kom rep je en spoed je naar 't strand,
Want uw lieve Kloris is nabij het land.

 Nu kon men zien, hoe verblijd was ons zusje,
Haar hoedje voltooid, op haar borstje een lusje,
Haar hoedje voltooid, daar alles op staat.
Terwijl zij op reis naar haar Kloris toe gaat.

 Nu loopt zij langs 't strand, haar armen die sling'ren,
Nu telt zij zo zachtjes, al op hare ving'ren.
De maanden, de dagen, de reis is volbracht,
Ach lieve Kloris, 'k had je nog niet verwacht.

naar boven

 

 

 


 

naar boven


Opgetekend in Weebosch, Brabant door Harrie Franken.

Uit Liederen en dansen uit de Kempen, hoofdstuk Van Liefde en vrijage

 

D’r was eens ene jongen, d’r was eens ene meid,

die bedachten met z’n beiden een reuze aardigheid

 

refrein;

en hedd’m nie gezien dè hele kleine kereltje,

en hedd’m nie gezien van zjoem

 

De jongen had besloten, de meid die had  beslist

en ze kropen met z’n beiden in ’n lege haverkist

 

Door het schokken en het stoten en een vreselijke schok,

toen vloog er toch warempel die haverkist op slot

 

De vader moe van het werken kwam ’s avonds laat naar huis,

en vond toen noch de jongen of noch de meid in huis

 

Hij moest toen nog gaan voeren de varkens en de geit,

en vond toen in de haverkist de jongen en de meid

 

Ach vader wilt vergève ’t is zeker de laatste keer,

en ik doe ’t van me leven in ’n haverkist nie weer

 

Maar negen maanden later toen kwam die kleine guit

en die had er snotverdorie nog haver aan z’n snuit

 

Wel als ik weer ga vrijen dan weet ik wel gewis,

ja, ik laat me niet verleie door ’n lege haverkist

naar boven

Boerinnetje met hare haan


Er was er een boerinneke vroeg opgestaan
Om
met haar haan naar de markt te gaan
Daar kwam er een heertje gelopen
En die zei en boerin en wat kost jouwe haan
En wilt gij hem niet verkopen
 

Slechts ene gulden zeide die boerin
Ik verkoop mijn haan niet zonder gewin
Want hij heeft twee kloeke sporen
En zonder geld kom'k er bij mijn man niet in
Mijne man zou er zich aan storen

Kom zei hij en geef je haan
En ze is er met dat heertje naar huis gegaan
Hij sprak van liefdes zaken
Mijne vrouw is naar de kermis toegegaan
Kom laten wij plezier gaan maken

Terwijl dat heertje in zijn kamer stond
Sloot zij de deur rap achter zijn kont
En zei adieu mijnhere
En ik ga met mijn geld naar mijn man terstond
Gij zult van een boerin wel leren

En zo blijf ik een vrouwtje van ere

naar boven

Warme Garnars


Moeder ik wil hebben een man
Warme garnars smory
Die mij den kost wel winnen kan
Warme garnars, warme garnars
Warme garnars, smory

Wel mijn dochter gij zijt te jong
Warme garnars, smory
Gij moet nog wachten een jaar rond
Warme garnars, warme garnars
Warme garnars, smory

Moeder ik ben oud genoeg
Warme garnars smory
Mijn Jan is knap en welbeproefd
Warme garnars, warme garnars
Warme garnars, smory

Moeder, moeder, geef mij ne man
Warme garnars smory
Die mij dees koude winter kan
Warmen, warmen, warmen, warmen
Warme garnars smory

naar boven

Zeemanspree


We varen voor een zeemanspree
over de zoute zee
Al gaan er nooit geen vrouwen mee
over de zoute pekelzee, over de zoute zee

En zijn we goed of slecht gezind,
we worden gedreven door de wind


We vreten bonen met azijn
Het spek is voor de kapitein

En gaan we zuipen aan de wal,
ze tappen er bier zo bitter als gal

En komt er een orkaaan voorbij,
dan is het gedaan met de koopvaardij

Dan roepen wij Neptunus aan:
Neptunus laat ons nooit vergaan

Als wij voor eeuwig zijn vergaan,
dan komen wij in de hemel aan

Dan krijgen wij ons laatste pree
en zuipen met Neptunus mee

naar boven